Dat Frankrijk een heleboel culinaire steden heeft, wisten we natuurlijk al lang. En toch waren we (blij) verrast na een weekendje Bordeaux. Wát een leuke stad. En vooral ook: wat een fijne stad om te eten. De hele binnenstad bestaat uit smalle straatjes en kleine pleintjes met restaurants en café’s.

We gaan lunchen bij Brasserie Bordelaise. Een brasserie naar ons hart, waar je bij je mandje brood ruim boter én een blikje pathé krijgt. Zo zien we dat graag. Het menu is verder modern, maar toch ook heel Frans. Denk steak tartaar maar dan met Parmezaan (doet ons denken aan carpaccio) en een gezellig bord crudité. Uiteraard alles met van die fijne dunne Franse frietjes en een bak groene sla.

Een andere specialiteit die je moeten eten voor je de stad verlaat: cannelés Bordelaise. Deze kleine sponzige cakejes zijn door de hele stad te krijgen in verschillende maatjes. Ze zijn doordrenkt van rum en doen mij zelf dus het meest denken aan een spons cake. Ze hebben een beetje een rubber-achtige structuur (goh klinkt lekker hè) en zijn medium zoet en lekker zwaar. Ik haalde ze meerdere keren bij La Toque Cuivrée (op verschillende plekken in de stad), maar je kan ze eigenlijk overal vinden dus.

Wij ging op onze eerste avond eten bij Le petit commerce, een visrestaurant. Dat Bordeaux een havenstad is blijkt, want we bestellen een hele tafel vol met kleine visgerechten en alles blijkt even lekker. Die tafel staat trouwens in zo’n smal druk straatje waar je tijdens het eten van een soort live theater geniet van de verschillende mensen die langslopen. Eerdergenoemde tafel is trouwens ook zo typisch Frans klein dat we er een krukje bij nodig hebben om alles op tafel te krijgen.

Je kunt ook gaan eten bij L’entrecote. Een soort culthype, en we spreken niet uit ervaring, maar als je de enorme rij weet te trotseren word je beloond met – goh wat een verrassing – entrecote, een simpel groen slaatje en gewoon een soort rode wijn. Een beetje principe Franse vreetschuur; het gaat snel, het is goed maar niet waanzinnig bijzonder en vooral leuk voor de experience. Wij gingen – en zouden je dat ook aanraden – liever eten bij de overburen. Brasserie Norailles is de oudste brasserie van de stad. Zoals je mag verwachten vind je hier alleen mannen in de bediening in keurige witte blousjes en zwarte schorten. Maar laat dat ietwat stijve, chique uiterlijke vertoon je niet afschrikken. Sterker nog: de bediening is hier on-Frans vriendelijk (opvallend genoeg overal in Bordeaux trouwens!). Het menu is klassiek, maar goed. Maar het echte hoogtepunt is het dessert. Juist als wij hebben besloten dat we niks meer willen komt de ober langs en presenteert met een komisch “tah taa tah” een schaal vol gebak. Knappe jongen die dat nog weet te weerstaan.

Andere leuke culinaire spots: een terrasje pakken op een van de vele pleintjes. Bijvoorbeeld bij L’Apollo op het Place Fernand Lafargue of een willekeurig terras op het Place du Marché Chartrons. Of in de straat Rue Sainte Colombe. Ik kan me voorstellen dat het hier ook zeker in niet-coronatijd plekken zijn waar de hele stad zich op warme zomeravonden verzamelt. Drink daar bijvoorbeeld heel Frans een Lillet Tonic (witte vermouth met tonic).

Nog wat een extra tip: geen zin in een groot dessert, maar wel zin in iets kleins bij de koffie? Bestel een café gourmand. Dan krijg je namelijk een espresso en een paar kleine zoete lekkernijen. En uiteraard betekent dat in Bordeaux vaak een mini cannelé. Kan ons die koffie schelen.

En dan tenslotte. Als je wel even uitgegeten en gedronken bent, maar toch nog een culi-uitje wil: het wijnmuseum Cité du Vin. Dit museum is hét wijnmuseum van Frankrijk (misschien zelfs wel Europa?) en staat dus volledig in het teken van wijn. Met allerlei funfacts, geschiedenis en een glas wijn met uitzicht op de stad is dit absoluut een bezoek waard.