Afgelopen week gingen we het Wad op met Flangindepan op Terschelling. Naast dat Wadlopen prachtig is om te doen is staat het Wad op op de lijst van Unesco werelderfgoed. Dit omdat er nergens anders op aarde zo’n groot aaneengesloten gebied wad is. Daar mogen we best trots op zijn. Wat de flora en fauna op de Wadden interessant maakt is dat alles wat op de Wadden leeft tegen veel extreme omstandigheden bestand moet zijn. Dat wil zeggen, de temperatuur kan in de zomer op de donkere bodem oplopen tot boven de 40 graden. Daarentegen hebben we afgelopen winter veel ijspret gehad. Hoewel de zee niet bevriest kan de temperatuur wel onder het minpunt komen. Hitte en kou dus. Verder valt het Wad dus elke dag droog. Wat er leeft moet dus ook nog tegen nattigheid én droogte kunnen.

Oké eerst een begintip. Als je gaat wadlopen doe dit alsjeblieft niet op je blote voeten. Oesters kunnen scherp zijn, en zijn daarnaast niet altijd goed te zien. Wadlopen doe je dus op rubberlaarzen. Mocht je vast komen te zitten -wat ongetwijfeld gaat gebeuren-, draai jezelf er dan met je hak uit. Het is handig om een emmertje, schepnet en eventueel een oestermes mee te nemen.

Wat kun je eten op het Wad?

Zeesla: Zeesla zie je veelal op de bodem liggen. Het is lichtgroen en ziet er eigenlijk dus gewoon echt als sla uit. Je kunt het eten. Het smaakt zoutig, als een soort combinatie tussen sla en zeewier (duh).

Krabben: Krabben vind je veelal onder stenen. Op Terschelling is de dijk bezaaid met grote stenen. Als je deze omrolt kun je de krabben vinden. Ze zijn vaak niet groot en dus ook niet zo goed eetbaar. Maar misschien heb je geluk.

Alikruiken: Alikruiken in donkere schelphuisjes. Ze trekken vaak sporen in het zand te herkennen aan een simpele streep. Dit omdat ze hun schelp met zich meetrekken. Je kunt alikruiken alleen uit hun schelp halen met een speciaal naaldje, omdat ze hun schelp afsluiten als ze zich bedreigd voelen. Hier kunnen ze dagen in overleven. Zelf vind ik ze niet al te smaakvol en moet je het naar mijn idee hebben van de saus.

Garnalen: Garnalen zul je moeten vissen met een netje. Ze zijn enthousiaste zwemmers en kunnen zelfs een soort van springen. We proefden er een paar rauw en vonden dit erg lekker. Maar eventueel thuis koken dus.

Oesters: Oesters vind je vaak op een soort zeebanken. Je kunt ze verzamelen in een emmertje, thuis even afspoelen en daar openmaken met eventueel citroen, peper of een vinaigrette. Lees wel even dit artikel want als de oester naar zwavel ruikt kun je hem beter niet eten. Op de Wadden vind je vooral de Japanse oester, veel oestersoorten hebben het geprobeerd maar deze bleek het beste bestand tegen de eerdergenoemde omstandigheden.

Mosselen: zoals je in dit artikel kunt lezen zijn Zeeuwse mosselen eigenlijk mosselen van de wadden. Hier planten ze zich voort, worden ze opgevist en in de Zeeuwse wateren losgelaten. Belangrijk voor mosselen is dat ze een stroom aan vers water hebben. Ze filteren namelijk water, een kleine mossel is al in staat om 50 liter water per dag te filteren.

Zee-eikwier: Eikwier is dus ook eetbaar maar smaakt nootachtig en zeeïg, als je begrijpt wat ik bedoel. Je kunt het bakken of roosteren, wel eerst even schoonspoelen.


Foto: De Zeeuwse Zeewierhandel

Zo zien we maar dat het Wad zat eetbaars te bieden heeft. Als je besluit het een en ander te proeven op het Wad doe dit natuurlijk wel met respect voor het gebied. Van oesters mag je maximaal 10kg meenemen. Platvissen bijvoorbeeld vond je vroeger in grote getalen in dit gebied maar zijn er nu schaars. Een van de factoren daarvan is jammer genoeg overbevissing. Om met een wat vrolijkere noot te eindigen zijn we op veel mooie plekken geweest maar een avondzon die op het Wad schijnt, met alle wieren, vissen, schelp- en schaaldieren, vogels en al het andere leven was een onwerkelijk mooi gezicht.