De afgelopen week heeft de Nederlandse schaatskoorts een hoogtepunt bereikt. Met temperaturen ver onder 0 zijn de meeste natuurwateren veranderd in een waar schaatsparadijs. Natuurlijk waag ik me dit weekend ook even op de schaats en hoop ik, zoals ik dat in gedachten vaak schets, hier en daar wat kraampjes eten en drinken tegen te komen. Maar wat at en dronk men vroeger tijdens schaatsfestijnen? Toen ijspret niet zeldzaam maar veelvoorkomend was?

Rond de 17e eeuw waren er strenge regels als het ging om de verkoop van alcohol op land en water. Ijs was hiervoor een soort vrijbrief, het was namelijk geen land en ook geen water. Dus alles mocht. Om deze reden werd zopie (wat borreltje betekent) een gewoonte op het ijs. Evenals andere dingen die eigenlijk niet mochten zoals bordelen en plekken waar men kon gokken. Later werd het borreltje gecombineerd met een stukje brood, gebakken deeg of koek wat de term ‘koek en zopie’ deed ontstaan.

Als je het boek ”Kleine geschiedenis van de Nederlandse keuken” erop naleest zie je dat Nederlanders een aantal producten veel in de keuken gebruikten: bier, meel, ei, spek, reuzel, krenten, kaneel, kruidnagel en suiker als dat er was. Ook op het ijs zie je dit terug. Zopie was namelijk niet alleen een borrel maar kon je bijna als maaltijd gaan zien. Aan de drank, meestal bockbier en rum, werden eieren, kaneel en kruidnagel toegevoegd. Dit werd verwarmd gedronken en hier kon men waarschijnlijk lang op teren tijdens ijspret.

Het gekke is dat je tijdens kou natuurlijk snakt naar iets warms, maar om het warm te krijgen je beter iets kouds kunt eten of drinken. Daar krijg je het namelijk warm van. Dus snak je naar chocolademelk of  gluhwijn? Neem liever een ijsje (mij alleen niet gezien).