Er zijn momenten waarop ik me echt realiseer dat mijn leven compleet in het teken staat van eten. Laatst had ik zo’n moment. Ik las een boek, een normaal boek, geen kookboek en ook geen culinair georiënteerd boek. Een klassieker; De Graaf van Montecristo. Een bloedstollende, tragische roman vol wraak en drama, zo’n 1300 pagina’s dik. Echter, de bladzijden die ik met het meeste plezier las waren bladzijden waarop gegeten werd. Het boek speelt zich namelijk af in Marseille in de 19e eeuw, de tijd van Napoleon, opstanden en guillotines. Het eten wordt zo kunstachtig beschreven dat ik het direct voor me zag. Voor de gelegenheid heb ik wat foto’s toegevoegd, niet uit het boek zelf maar van een tentoonstelling eetstillevens uit het Mauritshuis.

Dit eerste citaat gaat over een verlovingsdiner, waar kosten nog moeite gespaard werden:
”En daar gingen de Arleense worsten met hun donkere vlees de tafel al rond – evenals de langoesten met hun betoverende pantser, de venusschelpen met hun lichtroze schaal, de zee egels die in hun stekelige bolster op kastanjes lijken, de tapijtschelpen waarvan de lekkerbekken uit het zuiden beweren dat ze niet hoeven onder te doen voor de oesters uit het Noorden, kortom, al die delicatessen die door de branding op de zanderige oever worden geworpen en door dankbare vissers onder de algemene noemer van ‘zeevruchten’ worden aangeduid.” 

Osias Beert the Elder (Flemish, c. 1580 – 1624 ), Dishes with Oysters, Fruit, and Wine, c. 1620/1625, oil on panel, Patrons’ Permanent Fund

​Het onderstaande citaat betreft het reilen en zeilen van een roversbende, waarin de wacht de gevangene wil overhalen tot praten door de geur en aanblik van een maal:
”Het was inderdaad Peppino, die het zich tijdens zijn wacht zo gemakkelijk mogelijk wilde maken. Hij ging vlak voor de deur zitten, plantte een dampend aarden pannetje tussen zijn voeten, waaruit de geur van gebakken spek en kikkererwten opsteeg, zette links daarvan een mandje velletridruiven en rechts een flesje orietowijn. Peppino was duidelijk een smulpaap. Bij die gastronomische toebereidselen liep Danglars het water in de mond.”

Bij het lezen van het volgende citaat zag ik het tafereel niet alleen voor me, maar kreeg ik ook een kleine les waar de vruchten in kwestie indertijd (wellicht) hun oorsprong vonden:
”Een mand gevuld met een piramide van overheerlijke vruchten, ananas uit Sicilië, granaatappels uit Malaga, sinaasappels uit de Belearen, perziken uit Frankrijk en dadels uit Tunesië. De maaltijd bestond uit gebraden fazant, gegarneerd met Corsicaanse merels, een everzwijnham in gelei, een geitenlamsbout a la tartare, een prachtige tarbot en een reuzachtige langoest. Tussen de hoofdgerechten in stonden allerlei schaaltjes met lekkernijen. De schalen waren van zilver, het servies was van Japans porselein.”

Het volgende fragment gaat over twee ministers die zich afvragen of ze moeten ontbijten, of hun eetlust moeten bewaren tot het diner van die avond:
”We ontbijten. Het wordt vanavond namelijk een kleine twee uur wachten op een edelman en een dikke twee uur op een diplomaat. Ik kom tegen het dessert terug, bewaar wat aardbeien, koffie en sigaren voor me. Ik eet op weg naar het parlement wel een kotelet. Geen kwestie van, beste man, we ontbijten om precies 10 uur dertig. Gedraag je als een heer en probeer nu mijn sherry en beschuitjes nu eens. Vooruit dan maar, ik blijf. Trouwens ik ben deze morgen wel echt aan een verzetje toe.” 

Tot slot een fragment waarin de slechterik probeert een zieltje te winnen door precies te serveren wat de gedupeerde lekker vindt:
Andrea snoof inderdaad een grove keukengeur op, waar zijn hongerige maag niet afkerig op reageerde. De mengeling van vers vet en knoflook verraadde de Provençaalse volkskeuken, iets wat werd bevestigd door de geur van gegratineerde vis, en bovenal door het doordringende aroma van muskaat en kruidnagel. Dat alles dampte uit twee diepe, afgedekte borden op het fornuis en een pan die pruttelde in de oven van een gietijzeren kookkacheltje. In de belendende  kamer zag Andrea een redelijk schone tafel, gedekt voor twee, inclusief twee verzegelde flessen wijn – de ene groen, de andere geel -, een flinke maat brandewijn in een karafje en een vruchtensalade, volgens de regels van de kunst geserveerd op een groot koolblad in een platte schaal.”

Zo zien we maar, dat als Alexandre Dumas in 1844 wellicht zijn roeping tot culinair journalist gemist heeft.